KERSTSPECIAL
DE KERSTKRASKAART
Meneer van Dam schoof het zware bruine gordijn opzij en keek uit het raam. Het sneeuwde. Dikke witte vlokken vielen stil op de wereld neer. Ontroering maakte zich meester van meneer Van Dam. Hij had niet alleen zo juist met een eenvoudig kraslot 10.000 euro gewonnen, maar ook de natuur keurde dat goed, zo vond ie.
Hij ging naar boven en dook onder de douche. Niet te lang, want daar hield ie niet van. Maar hij vond dat ie zich toch even moest verfrissen voordat hij het geld ging ophalen. Hij droogde zich snel af, schoot in de opeenvolgende broeken, T-shirt er overheen, trui aan. Haastig de voeten gedroogd, in de sokken, schoenen aan, jas aan. En naar de voordeur, die meneer Van Dam onmiddellijk met een brede zwaai opende. Een beetje geschrokken bleef hij op de drempel staan. Ja, dat hadden ze zo niet afgesproken. De witte sneeuw was inmiddels nat en druilerig geworden. Het mooie witte laagje op stoep en straat was al bezig te verschrompelen tot een dun laagje modder. Angstig keek meneer Van Dam naar de grijze hemel. Wat stond hem nog meer te wachten? Werd het ook nog regen? Hij vermande zich, in het vooruitzicht dat in het sigarenmagazijn de 10.000 euro op hem lagen te wachten, en trok resoluut de deur achter zich dicht. Zo. Op naar Siemelink in de Hoofdstraat. Ach, dat was slechts vijftien minuten lopen. Meneer Van Dam haastte zich langs de slaperige huizen waar alle gordijnen nog gesloten waren. Het was de zaterdag vóór Kerstmis en de buren sliepen kennelijk nog. Maar Siemelink, zo dacht meneer Van Dam, zou beslist al open zijn. Sigarenmagazijnen waren toch altijd vroeg open. In Bordeaux kon je vroeger al om 6 uur je krantje en pakje shag in de Tabac kopen. Meneer Van Dam rookte niet meer, dus bij Siemelink kwam hij eigenlijk nooit. Ja, een maand geleden om zo’n kerstkraskaart te kopen. Heel leuk, zo’n kaart, ieder dag maak je een luikje open en moet je krassen. Dan heb je een getekend kerstmannetje of een pakje of een kerstboom. En bij 10 kerstbomen heb je 10.000 euro. En jawel hoor, meneer Van Dam had er dit keer tien. Niet te geloven. Alle reden dus om nu snel naar de sigarenboer te lopen. Van binnen juichte meneer Van Dam. Hij, een simpele Velpenaar, die nooit wat dan ook won, was nu ineens 10.000 euri rijker.
De natte sneeuw was overgegaan in druilerige koude regen, die al even gestaag neerviel als de witte sneeuw van een half uur eerder. In zijn haast om weg te komen was Van Dam z’n paraplu vergeten mee te nemen. Dus werd ie steeds natter. Het regenwater droop van zijn grijze krullenkop langs z’n slapen, voorhoofd en wangen. Z’n jas was bijna doorweekt en z’n schoenen en sokken zaten onder de vochtige modder. Hij rilde en versnelde nogmaals zijn pas. In de winkels brandde de lampen uitbundig, de kerstverlichting in de straten lachte hem feestelijk en vrolijk toe. Meneer Van Dam besloot om de moed niet te verliezen. Het was per slot van rekening een mooie dag. En daar ging hij vandaag ten volle van genieten. Daar had hij de winkel van Siemelink al in het vizier. Prachtige pijpen lagen te glimmen in de etage, daaromheen feestelijke sigaren in degelijke houten kistjes. Daartussen hier en daar een paar hulsttakjes. Ja, ook bij de firma Siemelink was het Kerstmis. En trouwens, daar kon je toch eigenlijk elke dag terecht voor een gezonde dosis geluksillusie: niet alleen diverse soorten kraskaarten met onmiddellijk kans op een vette prijs, maar ook staatsloten en totoformulieren en natuurlijk behalve de rookwaren ook diverse snoepgoed. Eigenlijk was de winkel van Siemelink er een waar je voor een schappelijke prijs volle tevredenheid kon kopen. Niet meer en niet minder.
De winkeldeur was nog op slot. Meneer Van Dam was toch echt te vroeg. Hij keek nu op z’n horloge. Het was kwart voor acht. Openingstijden bij Siemelink. Meneer van Dam stond er nota bene met zijn kont tegenaan gedrukt. Hij draaide zich om. Om acht uur kon hij z’n 10.000 euro tegen z’n hart drukken. Hij kreeg het er warm van. Ach, dat kwartier kwam hij ook nog wel door. Hij keek nog maar eens naar de grauwe lucht waarin het ochtendlicht aarzelend eindelijk terrein won. Helaas ging het nog even wat straffer regen. Meneer Van Dam verweet zichzelf zijn zorgeloosheid. Hier stond ie nu, zonder paraplu, in de stromende regen. De laatste restjes sneeuw smolten weg en stroomden waterig de rioolput in. En meneer Van Dam stond daar als een natte straathond die zich al jaren zonder baasje moet zien te redden.
Plotseling flitst het licht in de winkel aan en de deur zwaait open. “Goeiemorgen, u bent er vroeg bij?!”, verwelkomt Siemelink Van Dam, die nu snel en opgetogen de winkel instapt. Hij ruikt de sterke, penetrante tabakslucht van prachtige dure sigaren, die hier in vitrines hoog liggen opgetast. Ik zou vandaag op z’n minst toch ook één zo’n sigaar moeten kopen, mijmert Van Dam, terwijl hij dromerig opziet naar Siemelink. De winkelier heeft postgevat achter de toonbank en wacht op nader bericht! “Ja, ook goeiemorgen”, antwoordt meneer Van Dam opgewonden. “Ik had er tien!”, komt hij meteen ter zake. En met zijn rechterhand duikt hij naar de binnenzak van zijn jas om de winnende kraskaart eruit op te diepen. “Tien, wat bedoelt u….”, verbouwereerd staart Siemelink de natte Van Dam aan. Met de kaart nog in z’n hand slaat die zijn verregende krullen gehaast naar achteren en spreidt dan de gekreukelde kaart op de toonbank. “Dennenbomen, tien dennenbomen! Ik heb nog nooit wat gewonnen. En nu 10.000 euri. Ga d’r maar aan staan. De beste kerst ooit, Siemelink. Ik hoop, dat je het geld in huis hebt, want deze jongen heeft het hard nodig, dat begrijp je….” . De stortvloed van woorden ergert de sigarenman enigszins, maar professioneel laat hij niets merken. “Nou, dat is geweldig. Het geld is er wel; maar ik moet de dennenbomen natuurlijk even natellen.” “Ja, vanzelf,” antwoordt Van Dam en leunt nu tevreden achterover. “Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht….. negen,” routineus telt de ondernemer de tekeningetjes op de kaart. “Nou, waar is tien?…… Ik kan tien niet vinden. Kijk even mee.” Siemelink draait de kaart om naar Van Dam en probeert het nog eens: . “Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen… Ik kom niet verder.” “Verrek,” antwoordt Van Dam en ontgoocheling kruipt in zijn stem, “ik weet toch zeker…. Laat mij nog eens….” Angstig rennen de ogen van Van Dam over de kleurrijke kraskaart: . “Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht….. negen……. ” En dan in vertwijfeling: ”Nee, nee, hij zit er toch niet bij! Wat stom, wat stom. En ik wist toch zeker….” De waardeloze kaart ligt nu doelloos tussen de beide mannen in. Met iets van medelijden leest Siemelink de diepe teleurstelling van het gezicht van de klant. Van Dam, ja, hij kende ‘m wel vaag. Was vroeger wel een goeie klant, maar nu? Nu komt ie beslist geen boodschappen doen. Nee, die gaat dadelijk onverrichterzake het pand verlaten.
“Opa, wil je een kerstkransje?” Een blije kinderstem galmt vanuit de woonkamer achter de winkel. En daar verschijnt Maxime, Siemelinks kleindochter, met een zilveren schaaltje met geelbruine koekjes. “Kijk, opa, die heb ik gisteren zelf gebakken. Mooi zijn ze, hè, en lekker… Astublieft. U mag er nog wel eentje, hoor opa!” Nu wendt de kleine meid zich met een gulle lach naar de verregende bezoeker: “Wilt u ook een koekje, meneer?”