1 november 2013 roep ik uit tot mijn eigen rampdag. De pink van mijn rechterhand zou worden rechtgezet, een onschuldig klusje waarmee men, zo dacht ik, in ons grote ziekenhuis hier Arnhem geen enkele moeite zou hebben. Ik moest er om 7:45 uur zijn, dus ik zou beslist voor de middag weer thuis zijn. Thuis was voor een paar dagen bij M.
Vroeg in de ochtend moet ik eruit. Om te plassen. Even kijken hoe laat het is: Okay, 5:25 uur. O, dan moet ik maar opstaan. Ik kijk nog eens goed: shit, het blijkt 4:25 uur te zijn. Dan nog maar even slapen. Een uur later toch maar opstaan. Lekker op tijd, alles loopt op rolletje. Om 7:15 uur brengt Mariëtte me naar de ziekfabriek waar verpleegster Carolien mij van haar overneemt. Carolien begeleidt me naar Kamer 5 en wijst me een bed en kast toe, mijn domein voor deze dag. Carolien moet het een en ander van mij weten. Voornaam, achternaam, geboortedatum en waar ik voor kom. Gedwee beantwoord ik haar vragen en denk: wat stom, want dat weten jullie toch al! Dan vraagt ze routinematig of ik nog wat gegeten heb en hoe laat. Dat moet ze vragen, want dat staat in hun folder “Welkom op de dagverpleging”. Ik heb alle informatie over deze ingreep gelezen. Denk ik. Dus ik antwoord naar waarheid: ‘Warm gegeten gisteravond om ongeveer 6 uur’. Vraag: ‘Nog iets gedronken?’ ‘Ja, twee keer vannacht, om ca. 4 uur en 6 uur een beetje melk.’
Carolien valt onheilspellend stil. Dan vraagt ze, kennelijk geschrokken: ‘Melk?’ Schaapachtig zeg ik: ‘Ja, heerlijk. Omdat ik na het diner van gisteren niets meer mocht eten.’ ‘Maar dan kan je niet geopereerd worden!’ Een mokerslag. ‘Hoezo niet?’ ‘Als de blokkade van de plaatselijke verdoving niet lukt en je moet noodgedwongen geheel onder narcose, kan daarbij ook weer van alles misgaan, bijvoorbeeld je gaat braken en dan kan er voedsel in je longen komen en daar kan je dan weer een longembolie van krijgen en dan kan je doodgaan.’ Het is even alsof de grond onder mijn voeten wegzakt: hier sta ik half in mijn blootje met alleen een operatiejurk aan. Ik lig al klaar op het ziekenhuisbed, mijn spullen liggen in de kast, maar ik kan weer naar huis.
Carolien probeert de situatie te redden: ‘ik ga hierover bellen met de anesthesiste.’ Ik hoop er het beste van. Maar even later komt ze met bedrukt gezicht bevestigen dat de operatie, simpel een pink rechtzetten, wordt uitgesteld. Wat nu gedaan? Moet ik naar huis gaan? Nee, krijg ik te horen, ik word voor vandaag verderop op de lijst gezet. Ik voel een lichte opluchting: het zal een uur of 12 uur worden. Misschien. Ik kan in het ziekenhuis wat gaan wandelen, beneden in het atrium gaan lezen. En dan moet ik om 10:45 uur terug zijn voor de voorbereiding op de operatie. Misschien, als er niets tussen komt. Teleurgesteld maar ook nog met een grammetje hoop kleed ik me weer aan en verlaat met m’n mobiel kamer 5. Beneden is het druk, ook in een ziekenhuis is 8:15 spitsuur. Bij veel bezoekers is de stemming bedrukt; familieleden houden bij patiënten de moed erin. Hier beneden friemelt het volk als mieren door elkaar, nerveus op zoek naar de juiste route, de juiste afdeling. Voor goed nieuws of slecht nieuws: onzekerheid hangt als een donkere wolk boven allen die hier hopen op een goede afloop.
Ik plof neer op een grote bank in de hal, met mijn rug naar het restaurant. Eten en drinken moet ik nu helemaal niet zien. Ik stuur een berichtje naar het thuisfront en ga de krant zitten lezen. Er is meestal veel nieuws dat ik lezenswaardig vind, dus het is wel een tijdje uit te houden hier. Om een uur of half 11 besluit ik weer naar de afdeling te gaan. Ik ga stilletjes op een stoel in de gang zitten, want ik ben veel te vroeg. Ik ben gespannen. Als een hele familie met een luidruchtige zwakzinnige zoon erbij wil komen zitten, vlucht ik naar ‘mijn’ kamer. De verpleegsters staan vlakbij, zien me de kamer in schieten, maar niemand komt zeggen hoe het ervoor staat. Als ik om 11 uur ga vragen of de operatie om 12 uur zal doorgaan, krijg ik te horen dat daar opnieuw geen sprake van kan zijn. De dames geven me besmuikt te verstaan dat het in de middag zal worden: kom om een uur of 1 nog maar eens terug. Ik ben diep teleurgesteld, niet in de verpleging, want die kan hier helemaal niets aan doen. Ik druip af naar beneden, de ruimte die ze zo mooi het atrium noemen. Ik neem contact op met het thuisfront. M. vraagt of ze even langs zal komen. Ik besef dat een hart onder de riem wel heel fijn zal zijn. Nauwelijks een kwartier later duikt ze op in de hal. Ik stort mijn hart uit en dat lucht op.
Ik had besloten tegen enen weer naar de afdeling te gaan. M. vergezelt me naar boven, wat ook weer moed geeft. Voor de zoveelste keer moet ik ’de zusters’ onder ogen komen. Voor goed nieuws of voor een slechte tijding. Ze kunnen me ook nog naar huis sturen. Dit keer mag ik blijven, ze gaan nu toch de operatie voorbereiden. Ik neem afscheid van vriendin, hijs mij uit mijn kleren en trek opnieuw de blauwe operatiejurk aan. Dan ga ik op bed liggen, probeer te ontspannen en wacht af wat het komende uur mij gaat brengen. Om ongeveer 13:15 uur komen ze me halen. Dat wil zeggen, ze rijden mij naar het domein van chirurgie. Ik raak bijna in een juichstemming, die wordt getemperd door mijn fantasie dat ze zigzaggend met een stanleymes in mijn pink gaan snijden. Ik wil het niet zien.
Afdeling chirurgie heeft een voorbereidingszaal met diverse kamertjes die volgestouwd staan met vooral elektronische apparaten die voortdurend staan te piepen. Met bed en al word je zo’n kamer ingereden alsof je met je auto een garage inrijdt. Opnieuw moet ik lang wachten, maar dat ik hier nu geparkeerd sta, geeft toch moed. Het zal nu toch zo lang niet meer duren. Wordt het geen 2 uur opereren dan toch in ieder geval vóór 3 uur. Ik tuur naar een kanariegele wand waaraan drie keukenkastjes hangen. Wat zou daarin liggen? Twee dames in ook alweer blauwe kledij en met papieren mutsjes op stormen het kamertje in. Hennie en Christine, operatiezuster en anesthesiste. De laatste is de scherprechter die mij vandaag veroordeeld heeft voor het drinken van een paar slokken melk. Boerendochter, ja, dan snap ik het wel. Beiden geven mij een hand ter begroeting. Vervolgens worden er diverse naalden in me gestoken en slangen aangelegd. Aan mijn wijsvinger links wordt een soort vingerhoedje bevestigd. Ze doen van alles met me, maar ik voel niets! Er wordt een echo gemaakt van het gebied rond mijn rechter sleutelbeen. Want ze gaan vandaaruit een blok maken. Ik denk: een blok? Ze smeren een soort glijmiddel rond dat sleutelbeen. De anesthesiste pakt een ding dat op een dildo lijkt en wrijft er aandachtig mee door dat glijmiddel. Er blijkt een monitor te zijn aangezet waarop een stuk van mijn binnenste wordt weergegeven in tinten grijs met min of meer witte strepen. ‘Kijk, hier zit je sleutelbeen en hier moeten we met deze dunne naald bij je naar binnen.’ Ik vraag waar dat voor nodig is. ‘Een blok’ blijkt de afkorting voor blokkade en dat staat weer voor plaatselijke verdoving. In dit geval van de gehele rechterarm, van vlak onder de schouder tot de nagels van de vingers. Na een half uur ligt er een dood ding naast me: de verdoofde arm. Ik probeer het geval met mijn rechterhand op te tillen… Ik heb nooit beseft dat lichaamsdelen vele kilo’s zwaar zijn. Ach arme dooie arm.
Ik moet opnieuw wachten. Het zal inmiddels over tweeën zijn, denk ik. In het kamertje waarin ik lig opgebaard wordt het heel stil. Verderop op de zaal worden constant gesprekken gevoerd die ik vooral wens te negeren. Ik ben volledig overgeleverd aan mijn eigen gedachten, fantasieën en angsten. De traag voortsluipende tijd dwingt me om te proberen aan niets te denken. Zen, meneertje, of ga desnoods slapen. Maar slapen lukt niet en eigenlijk heb ik van Zen helemaal geen verstand. Net zomin van motoronderhoud, trouwens. Heel af en toe rent er een verpleegkundige mijn kamertje in. Want om een of andere duistere reden piept mijn hartslagmeter dan al een hele tijd. En daar kan de zuster niet tegen! Maar zij blijkt dat piepen te kunnen stoppen. Notabene. Waar is dat piepen dan voor!! Eén enkele keer komt er een ander even een blik op mij werpen, rent weg en ik hoor haar tegen een collega roepen: ‘O, die slaapt.’ Niemand hier zou het merken, als ik plotseling doodga. Nou ja, misschien gaat er iets piepen, maar iemand legt dat apparaat dan razendsnel zwijgen op.
Hoe laat zou het zijn? Ze zullen me nu toch wel zo komen halen. De anesthesiste komt langs en controleert mijn verdoofde arm. We hebben warempel een gesprek over vroeger. Over wat we destijds wilden worden. Leraar, beeldende kunstenaar; dat het eerst gewoon werken werd en dan de sprong naar de universiteit. Ik vraag hoe laat het is en krijg te horen dat het al over drieën is. Een operatie die twee uur zou duren loopt uit. Sorry, meneer. Ja, dat gebeurt hier dagelijks. Ik voel de wanhoop als een slang me besluipen; moet me verzetten tegen de woede, tegen het verlangen om mij te bevrijden van de injectienaalden, uit dit bed te springen en deze zaal uit te vluchten. Maar ik realiseer me dat ontsnappen niet mogelijk is. Ik moet er doorheen, ik moet dit idiote wachten doorstaan hoe lang het ook duurt.
Om 5 uur rijden ze me naar de verkoeverkamer waar het opnieuw wachten wordt. Een operatie van 2 uur is met een uur uitgelopen, zeggen ze. Tegen half zes krijg ik te horen dat er ook nog iemand in een levensbedreigende situatie voorrang moest hebben. Ik ben inmiddels compleet murw, bijna in totale wanhoop en dat vanwege het rechtzetten van een pink. En dat alleen maar om beter muziek te kunnen maken. Maar alle muziek hebben ze er inmiddels bij mij uit weten te persen. Ik vraag me af of dit het nou allemaal waard was. Daarop word ik onverhoeds naar een operatiekamer gereden. Alle twijfel glijdt nu uit me weg, ik concentreer me op wat er om me heen gebeurt. Een ‘broeder’ begint van alles aan me te vragen, hij blijkt mijn geestestoestand in de gaten te moeten houden. De dokter, van A, begroet me. Hij en de operatiezuster begeleiden me naar de operatietafel, houden mijn dode arm vast en geven aanwijzingen. Ik moet wippend met mijn kont van bed naar tafel. Behoedzaam wordt de arm apart gelegd op een behandeltafel. Ik word met een eenvoudig laken toegedekt. Er komt een soort tentje over me heen dat ervoor moet zorgen dat ik niets hoef mee te krijgen van de bloederige vertoning. Ik merk dat ik toch bang ben voor het mes. Maar als de arts begonnen is, voel ik tot mijn stomme verbazing opnieuw niets. Nu krijg ik toch groot ontzag voor dit medische kunnen, maar ik besluit er verder niet op te letten en de arts niet van zijn werk af te leiden. Ik blijf vooral ‘gezellig’ keuvelen met de man die monter naast me zit. Ze zullen vandaag toch al wel een paar uur bezig zijn. Maar dat is nergens aan de te merken. Eer wordt geconcentreerd doorgewerkt. Zoals me is voorspeld duurt de hele operatie iets mee dan een uur. Als hij de laatste hechting heeft aangebracht, komt de chirurg met de verlossende mededeling: ‘Zo, het is klaar. Uw pink is weer nagenoeg recht’.
Weer terug op de verkoeverkamer moet ik opnieuw wachten voordat ik naar een zaaltje van de verpleegafdeling word gereden. Het is inmiddels avond, kwart voor zeven. De afdeling dagverpleging is inmiddels gesloten, daarom word ik verhuisd naar onbekend terrein. Waar zijn m’n spullen? O, inmiddels ook verhuisd. En, gelukkig, M. is er ook. Dan wil k nu naar huis. En daar eten en drinken. Ik ben hier nu al 13 uur, ik vind het genoeg. Maar o nee! Opnieuw wachten. ‘We houden u nog een uurtje in de gaten. Kijken of het goed gaat. Kijken of u alles eruit geplast hebt en of de wond dicht blijft!’ Ik neem mij voor ook deze bittere pil te slikken. Ze vragen of ik wat wil eten. Veel hebben ze niet: een bruine boterham met kaas willen ze nog wel voor me klaarmaken. En ik krijg een beker melk. Melk, de boosdoener van vanmorgen. Ik eet en drink met smaak. Mopper ondertussen met M. erover dat het allemaal zo lang duurt. We zetten samen de verpleegsters onder druk om me zo snel mogelijk te laten gaan. Als die eindelijk zwicht voor onze argumenten, schiet ik zo snel mogelijk in de kleren. Het is ingewikkeld met de nog dode arm, maar het lukt. Een van de zusters doet een laatste inspectie als ze me in een mitella helpt. Dan ziet ze een bloedvlek door het dikke verband komen. O jee, paniek bij de verpleging. ‘Nee, zo kunt u niet weg. Ik moet toch eerst even het hoofd van de verpleging bellen’.
Er volgen nog een paar spannende minuten. Willen ze misschien dat ik hier toch nog een hele nacht blijf? Ik denk dat ik mij dan alsnog uit de voeten ga maken. Ik ga dat niet pikken. Of is dat te link? De vertwijfeling kruipt alweer omhoog. Maar het hoeft niet meer. ‘Ik ga er wat meer verband om doen’, komt de kordate verpleegkundige meedelen. Ik slaak een zucht van verlichting. Even later kan ik eindelijk met M. de grote ziekfabriek verlaten. Gerepareerd word ik de regen buiten in gespuwd. Wat is regen lekker!